Bij NII-lezing 40 jaar Dag der Bevrijding en Vernieuwing: Suriname had dringend behoefte aan een herinrichting

Bij NII-lezing 40 jaar Dag der Bevrijding en Vernieuwing: Suriname had dringend behoefte aan een herinrichting

20-02-2020
“Onze natie had dringend behoefte aan een herinrichting die moest groeien naar duurzaamheid. Méér zekerheden voor elke burger, waar dan ook, op ons grondgebied.” Zo sprak Ivan Graanoogst, inleider bij de vijfde lezing van het Nationaal Informatie Instituut (NII) op woensdag 19 februari in de Congreshal. Graanoogst, onder meer gewezen minister van Leger en Politie en voorzitter van de Nationale Militaire Raad, blikte terug op de militaire machtsovername op 25 februari 1980 alsook de periode én ontwikkelingen na dit moment.

De inleider sprak van materiële onvolkomenheden die af te leiden waren van de staat waarin de fysieke infrastructuur of bouwsels tientallen danwel honderden jaren verkeerden. Het was ook niet anders met de vele andere soort (niet materiële) “onvolkomenheden”. De dienstverlening, met name “lanti” (overheid), was een erfenis van de kolonie. Graanoogst: “Het was er een, die was ingericht voor een wingewest en niets anders dan dat!” Volgens de gewezen minister was de overheid er niet om de samenleving beter te maken noch Suriname duurzaam te ontwikkelen. “Het was er puur voor winst voor de wingewesthouder, koste wat het kost, zonder respect voor mens en natuur.”

Graanoogst zegt dat er voor de herinrichting middelen nodig waren. “Precies hierom kwamen de eerste venijnige sabotages. Wij militairen weigerden ‘t te geloven dat deze sabotages van de Noordzee kwamen. Ook waren we niet bereid om ervan uit te gaan dat Surinaamse staatsburgers betrokken waren bij deze sabotageprocessen. Wij waren geconcentreerd op de processen, die de verdere ontwikkeling van onze Zuid-Amerikaanse natie meer en meer op gang wensten te brengen.”  Volgens de inleider mocht de eenheid en die saamhorigheid van sommigen geen duurzame inhoud krijgen. “Ons land mocht die goede acties van bijvooreeld de regering Arron niet voortzetten”, aldus Graanoogst, die activiteiten en bilaterale contracten met landen zoals Brazilië, Venezuela, Guyana en Cuba (buurlanden en landen uit eigen continent) opsomde. Volgens hem schenen deze contracten niet goed te liggen bij personen die behoorden tot diegenen waarin het goed gelukt was om hen tot culturele Nederlanders om te bouwen. Wantrouwen, waarin Den Haag de hand had, door middel van uitingen zoals “Cuba en Guyana zijn communistische landen overstemden de regelmatige informatie van de staat.